Memorandum federale verkiezingen 2010 - 50 aandachtspunten voor de nieuwe regering

BELEIDSPARTICIPATIE

1. Vief stelt vast dat de ouderen, niettegenstaande zij een steeds groter segment van de bevolking uitmaken, steeds minder aan bod komen. De deelname van ouderen als kandidaat aan politieke verkiezingen moet gestimuleerd en ondersteund worden. 

2. Vief is evenwel geen vragende partij voor een reglementair ingrijpen om de groep van ouderen aan de hand van een positieve discriminatie verkiesbare plaatsen op de lijsten te doen toebedelen.

3. Daarentegen pleit Vief wel voor een sterkere aanwezigheid van ouderen in algemene overleg- en inspraakorganen op de verschillende beleidsniveaus. 

4. Waarborgen dienen ingebouwd, niet alleen voor verplichte adviesaanvragen maar ook om meer gewicht te geven aan de uitgebrachte adviezen.  

5. De Federale Adviesraad voor Ouderen moet snel operationeel worden gemaakt.

 

PENSIOENEN

6.Vief eist dat de regering op basis van de analyses gemaakt in het GROENBOEK snel werk maakt van een grondige herinrichting van ons pensioensysteem waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen maatregelen op lange termijn en deze die op korte termijn toepassing kunnen vinden. 

7. Op lange termijn moeten de pensioenen van loontrekkenden, zelfstandigen en ambtenaren op basis van dezelfde principes worden berekend. Op zeer korte termijn kunnen reeds een aantal maatregelen uitgewerkt worden om een doorgedreven harmonisering mogelijk te maken. 

8. De ouderenorganisaties dienen als betrokken partij de gelegenheid te krijgen om een volwaardige partner te zijn bij de uitwerking en de realisatie van een gemoderniseerd pensioenstelsel.

9. Bij het waarborgen van de betaalbaarheid van de pensioenen en van de sociale zekerheid in het algemeen zal het verhogen van de werkzaamheidsgraad ongetwijfeld een belangrijke rol spelen. De regering wordt aangespoord een reeks van maatregelen te nemen die hiertoe bijdragen. 

10. Bij de positieve maatregelen die kunnen getroffen worden rekent Vief op een betere aanwending van de pensioenbonus (gepaard gaande met een harmonisering van de pensioenbonus voor loontrekkenden en zelfstandigen met het pensioencomplement voor ambtenaren). Vief nodigt de regering uit om desgevallend na te denken over de vervanging van de pensioenbonus door een fiscale “doorwerkaftrek”. 

11. Om oudere werknemers meer kansen te bieden op onze arbeidsmarkt moet er in de ondernemingen een leeftijdsbewust personeelsbeleid komen dat de inzetbaarheid van ouderen verhoogt.

12. Het bestaande stelsel van brugpensioen zou best progressief afgebouwd worden tot 60 jaar zodat het opnieuw aansluit bij de initiële doelstellingen  (oudere werknemers die plaats maken voor jongeren). Het moet evenwel mogelijk blijven om bij herstructurering van verlieslatende bedrijven de oudere afgedankte werknemers (55 jaar), die niet meer inschakelingsvatbaatbaar zijn, een financiële toeslag bij de werkloosheidsuitkering te verstrekken. 

13. Ook al heeft de vorige regering ernstige inspanningen gedaan om de laagste en de oudste pensioenen aan te passen toch blijft de achtergebleven evolutie van de pensioenen in verhouding tot de evolutie van de bezoldigingen onvoldoende gecompenseerd. Voor de oudste en laagste pensioenen moet bijgevolg een inhaalbeweging uitgevoerd worden.

14. Enkel een structurele, jaarlijkse, automatische en procentuele welvaartsaanpassing van de pensioenen kan ervoor zorgen dat in de toekomst geen nieuwe kloof tussen de inkomsten van actieven en niet-meer-actieven ontstaat.

15. Teneinde ongewenste negatieve repercussies te vermijden moeten bij elke pensioenverhoging en welvaartsaanpassing de inkomstenplafonds en de drempelbedragen voor toekenning van bepaalde sociale voordelen automatisch mee verhoogd worden.

16. De steeds grotere kloof tussen het pensioen en het laatste loon (vervangingsratio) komt voor een stuk door het hanteren van een maximumloonplafond bij de berekening. Dit plafond zou substantieel moeten verhoogd worden.

17. De bedragen van de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) moeten tot boven de armoedegrens opgetrokken worden en moeten mee evolueren in functie van de stijging van die armoedegrens 

18. De vrijgestelde bedragen voor de berekening van de IGO dienen minstens gekoppeld te worden aan de index.

19. Ter gelegenheid van het optrekken van de IGO, die losstaat van de duur en intensiteit van de beroepsloopbaan, zal men erover moeten waken dat tegelijkertijd voor de berekening van het pensioen de noodzakelijke  meerwaarde aan activiteitsjaren wordt toegekend. Een optrekking van het  minimumpensioen zal dus nodig zijn.

20. Voor Vief dient alles in het werk gesteld om het wettelijk pensioen (de eerste pijler) niet te laten verglijden naar een ontoereikend basispensioen.  Dit kan enkel door het wettelijk pensioen uit te breiden aan de hand van  het veralgemenen van een volwaardige tweede pensioenpijler. 

21. De regering moet de sociale partners stimuleren om hieraan daadwerkelijk mee te werken. Zij zullen betekenisvolle bijdragepercentages dienen te voorzien voor de opbouw van het aanvullend pensioen. Teneinde de ongelijke mogelijkheden tussen de bedrijfssectoren te temperen moet een intersectorale solidarisering aangemoedigd te worden.

22. Vanuit de doelstelling een veralgemeende tweede pijler direct te linken aan het wettelijk pensioen van de eerste pijler vraagt Vief om de mogelijkheid van een integrale uitbetaling in kapitaal van de aanvullende verzekering te beperken tot 1/3. 

23. Vief is er zich van bewust dat het pleidooi voor een individualisering van de pensioenrechten sociale strookt met de huidige sociaal-economische ontwikkelingen zoals de toename van het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt en de veranderende gezinssamenstellingen.

Met een hervorming dienen we nochtans voorzichtig om te gaan. Mensen die hun manier van leven op de bestaande wetgeving hebben afgestemd mogen op geen enkele manier bedreigd worden in hun verworven rechten.

Zeer ruime ovegangsbepalingen zullen dus nodig zijn. Afgeleide rechten zullen ook in de toekomst belangrijk blijven en hun nut bewijzen.

Op korte termijn zijn wel verbeteringen aan het stelsel mogelijk ten voordele van individuele gerechtigden (o.m. versoepeling van de loopbaanvoorwaarde om toegang te krijgen tot het recht op hetminimumpensioen en het minimumjaarrecht voor gerechtigden op pensioen na echtscheiding).

24. In het kader van een noodzakelijke intragenerationele solidariteit is er geen zinnig argument om de solidariteitsbijdrage af te schaffen Wel is het redelijk om de aanrekening van de kapitaaluitbetaling van aanvullende pensioenen (omgezet in een fictieve rente) niet meer te laten spelen vanaf de leeftijd van 80 jaar. 

25. De vraag om het onbeperkt bijverdienen voor 65-plussers mogelijk te maken is moeilijk te verdedigen vanuit het principiële standpunt dat het pensioen een vervangingsinkomen is die het wegvallen van een inkomen uit arbeid gedeeltelijk moet compenseren. Een volledige cumulatie toelaten staat hier dus haaks op. 

Anderzijds moet de verdere inschakeling van ouderen in een aangepast arbeidsproces niet onmogelijk gemaakt worden. Vief vraagt om de grenzen van toegelaten arbeid op te trekken met 20 % en de procentuele sanctionering bij overschrijding trager te laten verlopen (25 % i.p.v. van 15 %) 

26. Bij het toelaten van een ruime cumulmogelijkheid voor de 65-plussers moet men zich dan ook wel de vraag stellen of niet moet gezocht worden naar een verruiming van de mogelijkheid dat diegenen die minder dan 65 jaar zijn. Er is immers geen enkele reden waarom diegene die na 35 jaar loopbaan op 60 jaar met pensioen gaat slechts zeer beperkt mag bijverdienen en bij het bereiken van de 65 jaar weer ruim aan de slag mag. 

27. Ook de grensbedragen voor toegelaten arbeid door de gerechtigden op een overlevingspensioen moeten verhoogd worden maar Vief stelt meteen toch ook de vraag of in de brede reflexie naar een nieuw pensioenmodel het overlevingspensioen geen item is dat in een breder perspectief moet worden geplaatst.

28. De cumulatiemogelijkheid van een overlevingspensioen met een vervangingsinkomen moet verruimd worden.

29. De grensbedragen voor toegelaten arbeid dienen gekoppeld te worden aan de index en daarbij het indexeringssysteem van de pensioenen te volgen.

 

GEZONDHEIDSZORGEN

30. In de strijd tegen armoede bij ouderen speelt de kost van de gezondheidszorgen een belangrijke rol. Zij worden geconfronteerd met een steeds groter wordend persoonlijk aandeel in de ziekte- en zorguitgaven. De bestaanszekerheid van de gepensioneerden moet verzekerd blijven, ongeacht hun gezondheidstoestand.

Iedereen maar zeker de ouderen hebben recht op een toegankelijke, kwaliteitsvolle en betaalbare gezondheidszorg. 

31. Het kan niet dat onder het mom van het onder controle houden van de uitgaven, sommige therapeutische ingrepen vanaf een bepaalde leeftijd zouden ontzegd worden aan patiënten.

32. De risico’s in verband met ziekte en zorg bij het hoogst bij de ouderen. En ons wettelijk stelsel van ziekteverzekering biedt onvoldoende dekking. Ons huidig stelsel van hospitalisatieverzekeing is ontoereikend, ondoorzichtig en discriminerend naar de ouderen toe. Ouderen kunnen geen hospitalisatieverzekering meer afsluiten of worden geconfronteerd met eenzijdige, bruuske en duizelingwekkende verhogingen. 

Er is behoefte aan een veralgemeende, betaalbare en gesolidariseerde hospitalisatieverzekering.

33. De dagprijzen van rust- en verzorgingstehuizen moeten betaalbaar blijven. 

34. De kosten in de residentiële ouderenzorg moeten beperkt doorgerekend worden met als uiteindelijke doelstelling ervoor te zorgen dat de kostprijs het inkomen niet overschrijdt. 

35. De tekorten in het aanbod van zorg kunnen zeker aangevuld worden worden door commerciële initiatieven maar de ongebreidelde commercialisering van de rusthuissector moet een halt toegeroepen worden. 

36. Voor de berekening van het recht op de Tegemoetkoming Hulp aan bejaarden (THAB) dient het enig onroerend goed buiten beschouwing gelaten (ook bij verkoop of schenking in de voorafgaande 10 jaar). 

37. Bijzondere aandacht moet gaan naar een kwaliteitsvolle begeleiding van mensen in hun laatste levensfase.

38. Euthanasie moet in heel het land en in alle verzorgingsinstellingen effectief mogelijk zijn.

39. Inzake de mantelzorg mag het reglementair kader zich niet enkel beperken tot een betere omkadering en ondersteuning van verenigingen voor mantelzorg. 

De mantelzorger als “partner in de zorg” dient betrokken in het overleg met de professionele hulpverleners.  Er is nood aan psychosociale begeleiding van de mantelzorgers die thuis zwaar hulpbehoevenden (bv dementerenden) opvangen. En er moet aandacht gaan naar de uitwerking van een degelijk statuut van de mantelzorger.

 

MOBILITEIT

40. Zoals elke andere reiziger hebben de ouderen recht op een toegankelijk openbaar vervoer. Veel inspanningen zijn geleverd maar er is nog werk op de plank inzake de omgevingselementen en de uitrusting van de stations (roltrappen en liften). Een bliojvend pijnpunt voor vele ouderen is de te hoge feitelijke opstap van de trein. 

41. De verschillende openbare vervoersdiensten moeten, nog meer dan nu reeds het geval is, streven naar een geïntegreerd en toegankelijk openbaar vervoersnetwerk. Op die manier kan de bereikbaarheid van voorzieningen beter gegarandeerd worden.

42. Het is discriminerend de leeftijd van iemand als bepalende factor te hanteren om al dan niet een auto te mogen besturen. Enkel objectieve en algemeen geldende criteria mogen hier gehanteerd worden.

 

DE OUDERE ALS CONSUMENT

43. Agressieve marketingtechnieken, waarvan dikwijls ouderen het slachtoffer zijn, moeten aan banden worden gelegd.

44. Ouderen hebben nood aan eenvoud. Niet alleen de producten zelf moeten rekening houden met de gebruikersgroep van ouderen maar ook de handleidingen moeten toegankelijk, leesbaar en begrijpbaar zijn. 

45. Vanuit de vaststelling dat de schuldenproblematiek ook voor de ouderen een steeds belangrijker element van het afglijden naar armoede gaat betekenen dient de regering hier aandacht aan te besteden, zowel op het preventieve vlak (een educatieve en sensibiliserende rol voor de ouderenorganisaties) als op het vlak van een gemakkelijke toegang tot een kwaliteitsvolle schuldbemiddeling. 

 

AUTOMATISCHE TOEKENNING VAN RECHTEN

46. Ouderen worden meer dan andere groepen in de samenleving geconfronteerd met het armoederisico. Armoede is uiteraard niet enkel een kwestie van inkomen. Maar welke invalshoek men ook neemt telkens komt  men uit bij een  bepaalde vorm van  uitsluiting. En één van de elementen is daarbij het niet of onvoldoende kennis hebben van het rechtenpakket. Dit is een algemeen fenomeen maar voornamelijk ouderen – ook al door hun niet of onvoldoende vertrouwd zijn met de kennisopsporingskanalen geboden door de nieuwe technologieën  - zijn daar extragevoelig voor. 

Daarom dient de regering in heel wat domeinen te kiezen voor een verruiming van automatische toekenning van rechten.

 

VRIJWILLIGERSWERK

47. Het vrijwilligerswerk is een vorm van actief burgerschap waarbij individueel engagement ertoe bijdraagt om de verzuring in onze samenleving tegen te gaan. Het is een onmisbare schakel in het streven naar een kwaliteitsvolle maatschappij. Vrijwilligers zijn het levende bewijs van solidariteit. Nog meer dan andere bevolkingssegmenten heeft de ouderenpopulatie banden met het vrijwilligersveld. Dit zowel qua vraag als aanbod. 

Het is mede dankzij vrijwilligerswerk dat het leven van zorgbehoevende ouderen aangenamer wordt gemaakt. Het creëert een weg uit het isolement en de vereenzaming. De activiteiten van ouderenorganisaties en hun duizenden vrijwilligers bijvoorbeeld dragen ertoe bij dat ouderen betrokken blijven bij het sociaal leven van hun leeftijdscategorie. 

Bovendien kunnen de medioren en senioren die geheel of gedeeltelijk het terrein van de betaalde arbeid hebben verlaten, in het kader van vrijwilligerswerk hun jarenlange ervaring aanwenden ten bate van hun medemens.

Deze vorm van arbeid en inzet verdient dus alle waardering. Via de dagdagelijkse persoonlijke interactie is die ongetwijfeld ook aanwezig. Maar is het niet aangewezen en noodzakelijk dat de overheid hier een duidelijk signaal geeft door de talrijke voordelen en meerwaarden van vrijwilligerswerk te erkennen en te willen stimuleren?

 48. Vief dringt aan om het stelsel van de forfaitaire kostenvergoeding voor vrijwilligers te verruimen in functie van het type van de geleverde prestaties. 

 

ICT

49. Het gebruik van ICT dient verder gestimuleerd te worden.

50. Informatie moet evenwel voor iedereen beschikbaar en toegankelijk zijn. Naast de digitale informatiekanalen moet ook de geschreven communicatie toelaten dat de ouderen autonoom informatie kunnen bekomen. 

 

                                                                                              Sitemap - Vief vzw 2017 - info  vief.be | Site door Faromedia | Privacy